Je kind zit in bad, wijst tussen zijn benen en vraagt hoe dat heet. En je hoort jezelf “plassertje” zeggen, of een woord uit je eigen jeugd waarvan je niet eens weet waar het vandaan komt. Had het naar zijn elleboog gevraagd, dan had je geen seconde getwijfeld.
Met een klein kind praten over zijn lichaam, en over wat het jou kan vertellen, klinkt als een zwaar gesprek waar je tegen opziet. In de praktijk gaat het beetje bij beetje, met korte zinnen die je herhaalt bij het badderen of aankleden, en de eerste is het antwoord op die vraag.
Wat je antwoordt tijdens het badderen
Hetzelfde als bij zijn elleboog: penis, vulva, zaadballen, billen. Met dezelfde stem, en zonder snel over iets anders te beginnen. Heb je al “plassertje” gezegd? Geen probleem: de volgende keer zeg je er ook bij hoe het echt heet.
Bij meisjes wordt vaak alles daar beneden “vagina” genoemd, maar wat je aan de buitenkant ziet, is de vulva; de vagina is het kanaal vanbinnen.
De Amerikaanse kinderartsenvereniging raadt aan om kinderen de juiste namen van alle lichaamsdelen te leren, de geslachtsdelen inbegrepen, omdat bijnaampjes de indruk kunnen wekken dat er iets mis mee is. Daarnaast is er een praktische reden: met het juiste woord kan een kind vertellen dat het brandt bij het plassen, of dat iemand daar aan zijn lijf heeft gezeten, en wie luistert, begrijpt het zonder te hoeven raden. De bijnaampjes van thuis hoeven niet te verdwijnen; het is genoeg als je kind ook de echte naam kent.
Vind je het gênant, zeg het dan een paar keer hardop als er niemand bij is; al snel klinkt het als elk ander woord.
Wat een badpak of zwembroek bedekt, is privé
Een klein kind begrijpt deze grens goed: wat onder het badpak of de zwembroek zit, is privé. Thuis kun je het zo zeggen: “Dit is van jou en het is privé. Niemand mag eraan komen of er foto's van maken, en niemand mag jou vragen om die van iemand anders aan te raken of te bekijken, ook niet op een scherm”. Je hoeft het niet allemaal op één dag te zeggen.
Zorg dat de regel ook de uitzonderingen noemt die je kind gaat meemaken, want anders spreekt het eerste bezoek aan de huisarts hem meteen tegen: “Ik help je met wassen, of iemand anders die op je past, en de dokter kijkt je na als ik erbij ben. Dat is om voor je te zorgen”. En sluit altijd op dezelfde manier af: raakt iemand je kind daar aan en weet het niet waarom, of geeft iets een raar gevoel, dan mag het dat aan jou vertellen.
Zijn “nee” gaat ook thuis tellen: roept het “stop” midden in een kietelpartij, dan stop je, ook al lacht het nog.
Op deze leeftijd is het heel gewoon dat kinderen aan zichzelf zitten, soms waar anderen bij zijn, en dat ze nieuwsgierig zijn naar het lichaam van andere kinderen. Diezelfde gids van de kinderartsenvereniging rekent dat tot wat normaal is en vaak voorkomt tussen twee en zes jaar. Je hoeft niet te mopperen. Eén zin is genoeg: “Aan je eigen lijf zitten mag, maar dat doe je alleen, op je kamer”. Betrap je je kind op doktertje spelen met een ander kind van zijn leeftijd, dan geldt hetzelfde: zonder drama herinner je het aan de regel en stel je een ander spelletje voor.
Het is wel de moeite waard om met de huisarts te overleggen bij een spel waarin het ene kind het andere dwingt, waarin seksuele handelingen van volwassenen worden nagespeeld, dat pijn doet of waar een kind niet mee kan stoppen, ook niet als je iets anders voorstelt. Dat geldt ook voor spel tussen kinderen die veel verschillen in leeftijd of grootte.
Zo leert je kind dat privé niet slecht betekent. Het betekent ook niet geheim.
Hoe je het verschil uitlegt tussen een verrassing en een geheim
Je kunt het uitleggen aan de hand van hoe lang het duurt. Een verrassing hou je even voor je en daarna vertel je hem, en dan wordt iedereen blij. Al het andere past in één zin: “Als iemand zegt dat je iets niet aan mij mag vertellen, mag je het me toch vertellen, en daar krijg je nooit straf voor”.
Waarom deze regel zo belangrijk is, legt de gids van de kinderartsenvereniging over het voorkomen van seksueel misbruik bij kinderen uit: wie een kind misbruikt, is meestal iemand die het kind kent, gebruikt vaker woorden dan geweld en vraagt het kind vaak om het aan niemand te vertellen. Daarom zeg je de regel precies zo, voor iedereen, ook voor de mensen van wie je kind houdt en voor oudere kinderen. Het waarom is voor jou, zodat je voor niemand een uitzondering maakt; aan je kind hoef je dat niet te vertellen.
“Niet tegen mama zeggen dat ik je chocola heb gegeven, hoor” is onschuldig, maar het leert je kind dat een volwassene soms vraagt om iets stil te houden. Je draait het makkelijk om met een “straks vertellen we het aan mama”, en dan is het een verrassing. Is het opa die dat doet, dan kun je het net zo met hem bespreken: als een huisregel, zonder iemand te verdenken.
Een lijstje met volwassenen om het aan te vertellen

Vraag je kind aan wie het iets zou vertellen waar het mee zit, en maak het lijstje samen: een paar echte mensen, met een naam en een gezicht.
Het is goed als ze niet allemaal bij jullie in huis wonen. Diezelfde gids wijst erop dat veel kinderen er lang over doen voordat ze zoiets vertellen, en dat het dan niet altijd hun ouders zijn die het horen. Lees dat niet als een oordeel over jou; het is de reden om je kind meer dan één deur te geven. Het kan de juf zijn, of een oma die niet bij jullie woont.
En zeg erbij dat het naar een andere volwassene gaat als de eerste niet luistert.
Wordt je kind bang als je hierover praat?
Wat er gemeten is, wijst erop dat dat niet zo is. Cochrane, een netwerk van onderzoekers dat de studies over eenzelfde vraag verzamelt en samenvat, zette de preventieprogramma's op scholen op een rij: de kinderen wisten daarna meer, en in de studies die keken of ze onrustiger of banger werden, was dat niet te zien. Het ging om kinderen van de basisschool en de middelbare school, in de klas en met professionals, dus voor het bad thuis is het een redelijke aanwijzing.
Zeg je het net zoals je zegt dat je op straat een handje geeft, zonder te gaan fluisteren, dan is het gewoon een regel zoals alle andere. En over slechte mensen hoef je het nooit te hebben.
Geen enkel gesprek maakt een kind van vier verantwoordelijk om zichzelf te beschermen. Dat is een taak van volwassenen, en als er ooit iets zou gebeuren, ligt de schuld niet bij hoe jij het hebt uitgelegd.
Als je kind je op een dag iets vertelt
Bijna alles wat het je vertelt, zal klein zijn: dat het in de speeltuin door een ander kind werd geduwd, of dat iemand om zijn tekening lachte. Hoe jij op zulke dingen reageert, leert je kind gaandeweg wat er gebeurt als het jou iets vertelt. Krijgt het een uitbrander, dan leert het om dingen voor zich te houden, zoals ook gebeurt als het een streek opbiecht.
Iets ernstigs komt op deze leeftijd vaak niet als een verhaal met kop en staart. Het komt er terloops en in stukjes uit, in de auto of in bad, en soms trekt je kind het later weer in; iets intrekken betekent niet dat het gelogen was. Is wat je kind vertelt ernstig, of weet je niet of het dat is:
- Hou je gezicht rustig, ook al ben je dat vanbinnen niet. Je kind let op hoe je reageert.
- Bedank je kind en zeg dat je het gelooft: “Dank je wel dat je het me verteld hebt. Ik geloof je, en het is niet jouw schuld”.
- Vraag weinig. Een “en wat is er gebeurd?”, en laat je kind praten. Vermijd vragen waar het antwoord al in zit, zoals “heeft die-en-die aan je gezeten?”, want op deze leeftijd kunnen zulke vragen in het verhaal zelf terechtkomen. Laat het ook niet opnieuw vertellen aan andere familieleden, en vraag er dagen later niet nog eens naar.
- Beloof niet dat je het geheimhoudt. Zeg dat je het gaat vertellen aan iemand die kan helpen.
- Praat niet met die persoon en confronteer hem of haar niet, en zorg dat je kind intussen niet alleen met die persoon is.
- Schrijf op wat je kind zei, in zijn eigen woorden, en ook wat jij vroeg en wanneer.
Vraag nog dezelfde dag hulp, aan de huisarts, de jeugdzorg of de politie. Weet je niet wie je moet bellen, zoek dan de hulplijn over kindermishandeling in je land op. Is er direct gevaar, bel dan het alarmnummer, en was het contact kort geleden, ga dan naar de spoedeisende hulp, zonder je kind eerst te wassen of zijn kleren in de was te doen.
Wacht niet tot je het zeker weet. Uitzoeken wat er is gebeurd, kan niet vanuit huis, en dat is ook niet aan jou.
Een verhaaltje met een kriebeltje dat waarschuwt
In Roodkapje, opnieuw verteld van Semillita zit geen wolf. Op weg naar haar Nana Yewande komt Amara een lammetje tegen dat huilt omdat het iets kwijt is, ver van het pad. Amara loopt erachteraan, voelt een kriebeltje in haar buik en gaat terug naar haar pad, ook al verwijt het lammetje haar dat nooit iemand blijft om het te helpen. Het enige wat het lammetje inzet, is verdriet.
Bij Nana aangekomen vertelt Amara alles wat ze gevoeld heeft, ook haar twijfel: wat als het lammetje echt hulp nodig had? Nana wordt niet boos en ondervraagt haar niet. Ze zegt dat ze begrijpt dat het Amara pijn doet dat ze het lammetje heeft achtergelaten, en dat dat kriebeltje haar lichaam was dat voor haar zorgde: “Als je het voelt, mag je stoppen. Altijd”.
In het verhaaltje is het lammetje iemand die Amara net heeft leren kennen. Als je het er thuis over hebt, is het goed om erbij te zeggen dat dat “altijd” net zo goed geldt bij mensen die je kind kent, en dat de regel van badpak en zwembroek ook geldt als het niets raars voelt. Het is bedoeld voor kinderen van vier en vijf jaar.

Roodkapje, opnieuw verteld
Het kriebeltje dat waarschuwt · Als je lichaam praat, moet je luisteren
Amara is een dapper meisje dat leert luisteren naar de signalen van haar eigen lichaam. Onderweg naar het bos ontmoet ze een lammetje dat verdrietig lijkt en hulp nodig heeft, en dat stelt haar voor een grote uitdaging: vertrouwen op haar lichamelijke gevoel in plaats van op haar medelijden. Maar het verhaal eindigt niet bij de keuze: het eindigt bij het vertellen, bij het vertrouwen om het aan iemand te vertellen.
Lees dit kinderverhaal in de Semillita-appIn het volgende artikel: hoe je een kind van drie uitlegt wat toestemming vragen is, en waarom het “nee” van anderen ook telt.




