Jullie hebben net een verhaaltje gelezen. Je kind luisterde op zijn eigen manier: bij sommige stukken helemaal erbij, bij andere ongeduldig om de bladzijde om te slaan. Toen het uit was, ging het iets anders doen. Even later zit het diezelfde personages in te kleuren. De hoofdpersoon wordt onmogelijk paars. De lucht oranje. En zonder dat iemand erom vraagt, begint het zachtjes te vertellen wat die hoofdpersoon in het verhaal allemaal overkwam.
Dat moment lijkt niet meer dan een rustig tijdverdrijf, maar er gebeurt behoorlijk wat meer dan je ziet.
Van luisteren naar doen
Als een kind naar een verhaaltje luistert, is zijn rol ontvangend: het krijgt het verhaal, de plaatjes en de stem van degene die voorleest. Dat is een waardevolle rol, want luisteren is op zich al heel wat. Maar het blijft halverwege steken als het verhaal uit is en er daarna nooit meer iets mee gebeurt.
De personages inkleuren na het voorlezen draait die rol om. Het kind ontvangt het verhaal niet meer, het gaat er iets mee doen: het kiest kleuren, het bepaalt wie er als eerste aan de beurt is. Het gaat terug naar de scène, deze keer met zijn handen.
In het leren in het algemeen bestaat een goed onderbouwd principe: iets actief terughalen en het opnieuw maken met je eigen woorden of je eigen handen zet het beter vast dan het passief nog eens doornemen. Dat toepassen op een klein kind en op één concreet verhaaltje is alweer iets anders: daar zitten we meer in de hoek van de waarneming dan in die van het harde gegeven, want het onderzoek naar kleuters en verhalen is een stuk minder eenduidig dan je op internet meestal leest. Maar het strookt wel met wat veel gezinnen en leerkrachten zien.
Kleuren na het verhaal, niet in plaats ervan
Inkleuren tijdens het voorlezen concurreert met het verhaal om de aandacht: op deze leeftijd is het lastig om twee dingen tegelijk te volgen die allebei concentratie vragen. Het is geen laboratoriumgegeven, maar thuis merk je het effect wel: als een kind zit te kleuren, blijft het verhaal achtergrondgeluid. Zodra het voorlezen klaar is, valt er niets meer te beconcurreren, en wordt inkleuren een tweede bezoek aan een plek die het al kent.
Het is ook geen toets. Het maakt niet uit of de zon groen wordt of dat het personage niet lijkt op dat uit het boek. Er is hier geen goede versie. Wat er gebeurt terwijl het kind kleurt (de scène weer voor zich zien, opnieuw voelen wat het geraakt had) is veel meer waard dan de gelijkenis van de tekening. Als we van de kleurplaat een opdracht met een cijfer maken, verdwijnt precies datgene wat haar nuttig maakte.
Wat er tijdens het kleuren gebeurt
Zonder dat het van buitenaf te zien is, komen er drie dingen samen.
Het gaat terug naar het verhaal in zijn eigen tempo. Het voorlezen gaat in het tempo van wie voorleest. De kleurplaat gaat in dat van het kind. Het kan tien minuten blijven hangen bij het personage dat de meeste indruk maakte en de rest overslaan. Die keuze is op zich al een manier om te verwerken wat het heeft meegemaakt.
Het neemt door wat er gebeurd is. Door de personages en de scènes opnieuw op te bouwen, loopt het de volgorde van het verhaal nog eens na, zonder dat het een verhoor wordt. Veel kinderen vertellen zachtjes mee terwijl ze kleuren; dat gemompel is het verhaaltje dat zich vanbinnen opnieuw ordent.

Het geeft een uitweg aan wat het gevoeld heeft. Als het verhaaltje een grote emotie raakte, of dat nu angst was of de boosheid achter een driftbui, dan mag het er weer naartoe nu het moment voorbij is, en dichterbij komen zonder overspoeld te raken. Je hoeft er verder geen naam aan te geven.
Waar de kleurplaten vandaan komen
Je hebt er niets bijzonders voor nodig. Een vel papier en wat potloden zijn genoeg: je kunt je kind vragen om zelf de scène te tekenen die het meest is bijgebleven, of je schetst de personages in grote lijnen zodat je kind ze kan inkleuren. Bij veel van de verhaaltjes van Semillita zitten bovendien eigen kleurplaten, met de scènes precies zoals het kind ze net gezien heeft, zodat je niets hoeft te improviseren.
Het werkt vooral tussen de 3 en de 6 jaar, want dan houdt een kind een heel verhaal in zijn hoofd vast en heeft het er nog plezier in om het te kleuren.
Het meest bruikbaar is om de kleurplaat binnen handbereik te leggen en niet te sturen: gaat je kind zitten kleuren, dan is dichtbij zijn genoeg. Vragen "en wat gebeurde er ook alweer met de hoofdpersoon?" onderbreekt meestal precies datgene waar het mee bezig was, want het haalt je kind uit zijn eigen tempo om het jouwe te volgen; wil het vertellen, dan vertelt het vanzelf. Het is een moment om samen te zijn waarin niemand het goed hoeft te doen.
En heeft het er op een dag geen zin in, dan is dat ook prima.
Een voorbeeld
In Toen Milo's rook opsteeg stijgt de boosheid van Milo op als rook die eruit moet. Het is een van die verhalen die een grote emotie raken, van het soort dat een kind meteen herkent omdat het die zelf ook heeft gevoeld.
Juist zo'n verhaaltje vaart wel bij een tweede bezoek. Milo inkleuren na het voorlezen laat een kind het verhaal nog eens nalopen en meteen ook opnieuw dicht bij die boosheid komen, met een potlood in zijn hand in plaats van met een gespannen lijf. Erover praten hoeft niet, en er een les uit trekken ook niet. En het vervangt niet wat helpt midden in een crisis: dit is wat daarna komt, als het voorbij is.

Toen Milo's rook opsteeg
Als de boosheid eruit wil
Het is de fijnste middag van Milo, een draakje dat geniet van koekjes met jam. Als zijn papa zegt dat hij nu genoeg gegeten heeft, voelt Milo iets vanbinnen: dat warme, rustige zonnetje dat hij in zijn buik droeg begint op een andere manier op te warmen, het wordt groot, en er komt rook uit zijn neus zonder dat hij het vraagt. Hij besluit dat er niets aan de hand is als hij de rook niet naar buiten laat.
Lees dit kinderverhaal in de Semillita-appVeel meer is er eigenlijk niet: papier, potloden en je er niet mee bemoeien. Het verhaaltje doet de rest.




