Jullie zijn in de zandbak. Je kind is al een tijdje bezig met zijn vrachtwagen, helemaal in zijn eigen wereld, zand rijden en kiepen. Er komt een meisje bij staan, ze steekt haar hand uit, en nog voor ze hem aanraakt houdt je kind hem al tegen zich aan geklemd: “van mij!”
En dan komen er twee dingen tegelijk bij: het meisje blijft staan kijken, en de andere volwassenen in de speeltuin doen precies hetzelfde. Wat er op dat moment bij ons uit komt is meestal een “toe, even delen”, met een stuk meer haast dan de situatie eigenlijk vraagt.
Wat “van mij” eigenlijk betekent
Rond hun tweede ontdekken kinderen iets nieuws: dat er dingen bestaan die van hen zijn. En ze nemen dat idee behoorlijk letterlijk. Voor je kind lijkt de vrachtwagen afgeven meer op een vinger afstaan dan op een pen uitlenen. Het gedraagt zich alsof die vrachtwagen een stukje van zichzelf is, en op die leeftijd zit daar waarschijnlijk ook iets van waarheid in.
Dat verklaart hoe heftig de reactie is. Een tweejarige die “van mij!” roept, wil niemand dwarszitten: het is bezig met iets wat lijkt op wat er achter het “nee” van die leeftijd zit, waar we het over hadden in De nee-fase. Eerst komt het idee dat iets van jou is. Het kunnen uitlenen duurt een stuk langer.
Wat je op welke leeftijd kunt verwachten
Een kind kan een jaar voor- of achterlopen op zijn leeftijdsgroep, of per dag verspringen, en toch helemaal in orde zijn.
Vóór de 2 jaar. Er is nog geen vast idee van bezit, en iets uit de hand van een ander pakken is meestal gewoon onderzoeken. Gulle gebaren zijn er wel degelijk: veel kinderen van deze leeftijd geven dingen weg en helpen zonder dat iemand erom vraagt. Lees dat niet als karakter, want als het “van mij” eenmaal komt, denk je dat je kind achteruit is gegaan — en dat is niet zo.
Van 2 tot 3 jaar. De leeftijd van het “van mij”, en die van de meeste botsingen in de zandbak. Ze spelen vooral naast elkaar: ieder met zijn eigen emmertje, een half uur lang zonder één woord tegen elkaar. Dat is al gezelschap, en ze letten meer op elkaar dan het lijkt: ze nemen gebaren van elkaar over en proberen soms iets uit vlak nadat ze het bij hun buurman hebben gezien. Delen als je erom vraagt is zeldzaam; uit zichzelf iets aanbieden gebeurt af en toe, en dat komt meestal als een verrassing.
Van 3 tot 4 jaar. Veel kinderen kunnen dan om de beurt, bijna altijd met een volwassene in de buurt die eraan helpt herinneren wie aan de beurt is. De voorwaarde is meestal vertrouwen: ze laten het speelgoed los als ze redelijk zeker weten dat ze het terugkrijgen.
Van 4 tot 5 jaar. Uit zichzelf delen wordt gewoon, al is het heel ongelijk verdeeld: met de allerbeste vriend wel, met het kind dat net de speeltuin binnenkomt een stuk minder.
Vanaf 5 jaar. Dan hebben ze het idee van eerlijk verdelen te pakken, en verdedigen ze het met vuur — vooral als die verdeling in hun eigen voordeel uitpakt.
Deze leeftijdsgroepen komen uit het observeren van kinderen in klassen en speeltuinen in omgevingen als de onze, waar elk stuk speelgoed een eigenaar heeft. Op plekken waar speelgoed van iedereen is — en die bestaan — komen kinderen hier langs een andere weg en in een ander tempo terecht.
En als mijn kind de enige is die niet deelt?
Bijna nooit is dat een teken van iets. In een groep kinderen van twee of drie deelt de meerderheid niet; wat per kind verschilt is hoe zichtbaar het is en hoeveel herrie het maakt.
Waar ze op het consultatiebureau op deze leeftijd naar kijken, gaat ook niet over speelgoed. Het gaat erover of je kind fantasiespelletjes speelt, of het naar je toe komt om te laten zien wat het gevonden heeft, hoe het met de taal staat en of andere kinderen het iets interesseren. Als dat allemaal loopt, zegt dat “van mij” op zichzelf niet zo veel.

Het is de moeite waard om het aan te kaarten bij het consultatiebureau of de opvang als meerdere van deze drie samenkomen:
Op allebei de plekken tegelijk. De botsingen om spullen herhalen zich dagelijks, thuis én op de opvang, en op de opvang zijn ze er al over begonnen.
Het herstel blijft uit. Na elke botsing duurt het een ruim half uur voordat je kind weer in orde is, meerdere keren per week, en niets van wat je doet helpt.
De andere kinderen laten het koud. Het kijkt niet naar ze, doet ze niet na, en wat ze doen interesseert het niet. Dat het op zijn tweede nog niet met ze speelt, is normaal; dat ze het helemaal niet boeien, minder.
En er is één signaal dat niet hoeft samen te vallen met een ander: als je kind dingen kwijt is die het al had, woorden, gebaren of oogcontact, dan is dat op zichzelf al reden om aan de bel te trekken, zonder te wachten op het volgende consult.
Waarom “delen” zo weinig oplevert
Dat woord vraagt om iets wat op die leeftijd nog niet af is. En het vraagt erom op het slechtst denkbare moment, precies wanneer het kind midden in de verdediging van zijn eigen spullen zit.
Er is bovendien iets mis met het woord zelf: in de speeltuin betekent “delen” bijna altijd “geef het maar af”. Vandaar dat bekende tafereeltje: het kind laat het speelgoed los met een gezicht als een oorwurm, de volwassene haalt opgelucht adem en dertig seconden later volgt er een duw. De vrachtwagen wisselde van handen; wat het kind voelde, bleef precies waar het was.
En een deel van het ongemak zit niet bij het kind. Die haast om het op te lossen heeft veel te maken met wie er meekijkt, en in een speeltuin kijkt er altijd wel iemand mee. Als je al twee jaar “delen!” zegt waar andere ouders bij zijn, heb je niets kapotgemaakt: het is wat ons geleerd is en wat bijna iedereen doet.
Wat wél helpt
Verdubbelen in plaats van verdelen. Dit los je op voordat je de deur uit gaat, door twee schepjes en twee emmertjes in de tas te doen, en twee ongeveer gelijke autootjes als je die hebt. Voor twee tweejarigen lost ieder één hebben meer op dan welke uitleg over vrijgevigheid dan ook.
Woorden geven aan allebei, zonder het voor ze op te lossen. “Jij wilt de vrachtwagen en jij wilt hem ook. Dat is moeilijk.” Benoem wat er gebeurt en maak duidelijk dat geen van beiden iets fout doet. Komt het daarmee niet los, en vaak komt het niet los, neem je kind dan een paar meter mee met zijn vrachtwagen en bied het daar iets anders aan, zodat het meisje weer verder kan met haar eigen spel. Ze op deze leeftijd uit elkaar halen is een prima antwoord.
Eén zin voor het publiek. Een stuk of zes volwassenen die staan te kijken zijn een deel van het probleem, en het helpt om iets te hebben wat je hardop kunt zeggen zonder je kind af te vallen of jezelf slim te vinden. Deze werkt: “sorry, hij zit in de leeftijd dat hij niets loslaat, ik zoek even iets anders voor hem, dan kan jouw dochter door.” Je kondigt aan wat je gaat doen en biedt voor niemand excuses aan.
Als jouw kind degene is die andermans speelgoed wil. Dat is de andere helft van het gedoe in de speeltuin, en het werkt precies andersom. Je zegt het gewoon zoals het is, “die vrachtwagen is van haar”, je houdt de driftbui uit die daarop volgt en zoekt iets anders. En als de andere ouder het speelgoed uit de handen van zijn eigen dochter trekt om de rust te bewaren, hoef je dat niet aan te nemen: “dank je, maar laat haar er rustig mee doorspelen, dit trekt bij ons zo weer weg.”
Wacht even voordat je ertussen springt. De reflex is om op seconde één in te grijpen. Een deel van deze botsingen lost zichzelf op zonder jou, via een hoogst eigenaardige onderhandeling die wij bijna altijd per ongeluk onderbreken. Stap erin zodra er handen aan te pas komen of zodra een van de twee er duidelijk doorheen zit. Loopt het uit op een duw of een beet, leg de actie dan stil zonder preek en zorg er eerst voor dat ze allebei tot rust komen, want een overspoeld kind hoort maar weinig van wat je uitlegt: er zijn vijf technieken voor co-regulatie die precies voor die minuut bedoeld zijn.
Berg het onaantastbare op vóórdat het bezoek er is. Thuis liggen er een of twee stukken speelgoed die een kind van deze leeftijd echt niet kan uitlenen, en dat mag. Als die uit het zicht verdwijnen voordat er iemand binnenkomt, scheelt dat het hele conflict, en je kind leert niet dat zijn spullen verdampen zodra er visite komt.
Beurten die aflopen als het spel afloopt. Ook voor thuis. “Als je nichtje klaar is, ben jij aan de beurt” geeft degene die aan het spelen is iets wat een kookwekker niet geeft: zeggenschap over het einde. Het klinkt alsof de eerste het nooit meer loslaat; wat veel gezinnen vertellen is dat die beurten vanzelf korter worden zodra het kind een paar keer heeft gemerkt dat niemand hem iets uit handen komt trekken. Degene die wacht moet je echt bezighouden, met iets anders en met jou ernaast. En als ze na twee weken nog net zo eindeloos duren, is het geen ramp om weer speelgoed te verdubbelen en de beurten voor later te bewaren.
Een verhaaltje waarin niemand “deel eens” zegt
In Een vrachtwagen voor twee zit Pompon in de zandbak met zijn rode vrachtwagen als Yarena geruisloos naast hem komt staan en haar hand erop legt. Pompon klemt hem vast: “Van mij!” Ze kijken allebei heel ernstig.
Het interessante komt daarna, en het is de volwassene die het doet. Mama Big komt aanlopen, zet een geel emmertje voor Yarena neer en gaat een stukje verderop zitten. Ze vraagt niets en verdeelt niets. Vanaf dat moment zitten ze allebei in dezelfde zandbak, ieder met zijn eigen ding, tot het volle emmertje te zwaar wordt voor Yarena en Pompon iets bedenkt wat niemand hem heeft geleerd.
In het verhaaltje komt dat eerder dan in het echte leven, en daar is het ook een verhaaltje voor. Wat het jou oplevert zijn twee namen om volgende week zaterdag in het zand op terug te vallen.

Een vrachtwagen voor twee
Samen spelen, stapje voor stapje
Pompon zit in de zandbak met zijn rode vrachtwagen en maakt brom-brom terwijl hij steeds opnieuw zand vervoert en omkiept. Zijn spel is compleet, rustig en blij. Dan komt Yarena erbij, met haar groene ogen, en legt haar hand op de vrachtwagen. Pompon klemt hem vast: “Van mij!” Mama Big verschijnt even, legt iets geels in het zand neer en loopt weer weg. Vanaf dat moment zijn de twee kleintjes in dezelfde zandbak, allebei met hun eigen spel bezig, terwijl ze elkaar af en toe opnemen — tot er iets onverwachts gebeurt waardoor ze samen de vrachtwagen gaan duwen.
Lees dit kinderverhaal in de Semillita-appIn het volgende artikel: het kind dat slaat, waarom het dat doet en wat er echt helpt.




